De ruimtesonde Cassini heeft de reflectie van de zon in een groot methaanmeer op de Titan kunnen vastleggen. Deze foto vormt een fraaie bevestiging van het bestaan van zulke meren op deze Saturnussatelliet.
Wij hebben ons de vraag gesteld of halo's zichtbaar kunnen blijven tijdens de totale fase van een zonsverduistering. Dit is onderzocht door een vergelijking te trekken met de zichtbaarheid van maanhalo's tijdens schemering. Het antwoord op de vraag blijkt ‘ja' te zijn, mits het gaat om een heldere halovorm. Reden om tijdens de komende verduisteringen eens goed naar deze verschijnselen uit te kijken.
In dit artikel laten wij een aantal randverschijnselen bij zonsverduisteringen de revue passeren die meestal wat minder in de aandacht staan. Het gaat hier om de blauwgroene schemer bij een diepe gedeeltelijke verduistering, zonnebeeldjes, sterren aan de hemel, de zwartheid van de ‘zonneschijf' tijdens de totaliteit, schijnbare en werkelijke lichtafname, de donkerte van de hemelkoepel, kransen bij coronalicht en nog wat andere feiten.
Na veertig jaar planeetfotografie door ruimtesondes is er eindelijk een halo gezien op een andere planeet. En hij is nog helder ook.
Foto van een heldere onderzon boven de Marsvulkaan Arsia Mons.
Waerachtige beschrijvingen van het Nova Zembla effect
De eerst-geboekstaafde waarnemingen van het Nova-Zemblaeffect - een lange-afstandluchtspiegeling - werden gedaan tijdens Willem Barents' derde tocht naar het Noorden (1596- 1597). Een stralenganganalyse toont aan dat de drie sleutelobservaties, op 24-27 januari 1597, alle gesimuleerd kunnen worden met één enkele, atmosferische temperatuurinversie. Ook blijkt dat het Nova-Zembla-effect zichtbaar kan zijn geweest over de centrale bergketen van het eiland. De door Gerrit de Veer gegeven richting waarin op 25 januari de schijnbare conjunctie tussen Jupiter en de maan werd gezien (noorden ten oosten) komt binnen één graad overeen met de berekende richting. De betrouwbaarheid van de waarnemingen, onderwerp van discussie gedurende vier eeuwen, lijkt hiermee aangetoond.
Volgens de literatuur bedraagt deze +3. De helderheid van de hemel is tijdens de totaliteit vergelijkbaar met die tijdens schemering als de zon 5-5,5 graad onder de horizon staat.
Onder een wolkendek is een verduistering anders, maar niet meteen minder. Vooral het invallen van de duisternis is een adembenemende ervaring.
Welke ster is dat? (boek)
12e druk, Thieme Baarn, ISBN 90-5210-021-7 (1990)
[no PDF available]
Populair boek over sterrenkunde, aangevuld met inzichten verkregen uit het ruimteonderzoek tot en met de Voyager-2 passage langs Neptunus.
Er wordt beschreven hoe het zonnestelsel er vanuit Uranus uitziet.
Na de bedekking in 1984 van λ Sgr door Venus volgt een periode van 50 jaar waarin geen enkele ster helderder dan grootte 3.5 door een planeet wordt bedekt. In de tijdspanne 1000-3000 zijn er maar 14 bedekkingen van sterren van de 1e grootte, waarvan één in de 21e eeuw.
Door een sonde langs een planeet te schieten kan de sonde de extra bewegingsenergie verkrijgen die nodig is een ver object te kunnen bereiken.
Vijf zonnedagen op Venus correspondeert op 4 uur na met precies één synodische omloop. Het vermoeden is dat er sprake is van een Aardgebonden rotatie.
Een corona-overgang houdt in dat Mercurius of Venus tijdens een totale zonsverduistering voor de corona staat. In de periode 0-4000 staat Venus alleen bij de verduisteringen van 1769 en 2263 voor de corona; bij Mercurius is dat het geval 3269 en 3853.
Veel zeldzamer dan gewone bedekkingen zijn die door de verduisterde maan. Slechts 11 sterren helderder dan de 4e grootte komen hiervoor in aanmerking, waarvan één (Regulus) van de 1e grootte. Het volgende Regulus geval echter laat nog 4 eeuwen op zich wachten; hetzelfde geldt voor planeetbedekkingen. De reden is dat deze gevallen geclusterd voorkomen in de tijd en deze clusters eeuwen uit elkaar liggen. In 2018 staat Mars vlak bij de totaal verduisterde maan en in 2013 Saturnus bij een gedeeltelijke maan.
Bij de ringvormige zonsverduistering van 29 April 1976 tekende de schaduw van de maan zich duidelijk af tegen de Sahara op de foto die om 9:37 UT door de
NOOA-4 weersatelliet werd genomen.
Op 29 augustus 1975 verscheen er een heldere nova in het sterrenbeeld de Zwaan. In de Nederlandse avondschemering is hij als eerste opgemerkt door J.W. Schippers, G.P. Können (ten onrechte achtereenvolgens aangeduid als L.P. Können resp. J.P. Können) en Gerard Peet.
Het voorwerp dat Beekman en Schoenmaker tijdens het waarnemen van de Mercuriusovergang van 9 mei 1970 voor de zon langs zagen trekken, kan wel degelijk een kunstmaan geweest zijn. Dit in tegenstelling tot wat Klinkspoor beweert. (NB: de oplossingen van de vergelijking zijn x= +0,19; -0,23; -0,95, dus iets verschillend van wat destijds is gezegd).
Voor de 19 helderste sterren zijn de data uitgerekend dat ze in Nederland voor het laatst in de avondschemering kunnen worden gezien; dat ze tegelijk met de zon ondergaan resp. opkomen; en dat ze voor het eerst in de ochtendschemering weer zichtbaar worden.
De kans op drievoudige planeet-ster en planeet-planeet conjucties is uitgerekend. Er wordt aangetoond dat het minimale tijdinterval tussen twee drievoudige Mars-Jupiter conjuncties niet 48 jaar, maar 2 jaar is. Dit gebeurt bij periheliumopposities van Mars. Bij Mars-Saturnus conjuncties kan zoiets gebeuren bij apheliumopposities van Mars.
In de zomermaanden wordt het niet echt donker. De grensmagnitude kan bepaald worden door sterren te tellen in geschikte waarnemingsgebiedjes.
De afhankelijkheid van de lengte en tijdsduur van een meteoor is berekend als functie van zijn absolute helderheid, snelheid en zenitafstand van de schijnbare radiant.
Een grafiek wordt gegeven om op- en ondergangstijden van planeten zoals gegeven in de sterrengids voor Utrecht, te reduceren naar andere plaatsen.